Op deze pagina korte indrukken, gedachten en invallen bij het lezen.
Willem Kloos Albert Verwey
‘Een beetje onduidelijk’
Verboden dichtregels
Het is hoog nodig een steen in de vijver te gooien!
Na een onbekend boek van Hendrik Heuvel en een zo mogelijk nog minder bekende dichtbundel van Hendrik de Vries, een overpeinzing over een van de beroemdste Nederlandse gedichten:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten
Censuur
In 1891 deed zich in Amsterdam een opmerkelijk geval van censuur voor: de vernietiging van het zetsel voor het drukken van een gedicht van Albert Verwey. Niet overheid of kerk legde de dichter het zwijgen op, maar een collega zorgde ervoor dat het gedicht ruim negentig jaar ongelezen zou blijven.
Willem Kloos liet het zetsel van Albert Verweys gedicht ‘Hemel- en Aard-droom’ vernietigen, omdat hij bang was dat het hem in een schandaal zou betrekken. In het wijdlopige gedicht stonden drie regels waarin Verwey een innige kus tussen twee jonge mannen beschreef, en Kloos vreesde dat lezers zouden herkennen dat hij degene was die daar met Albert zoende.
Het gedicht zou eerst verschijnen in De Nieuwe Gids, maar Willem smeekte Albert de “walgelijk vieze regels” te schrappen. Toen Albert toch een publicatie in gang zette, greep Willem in, zette de uitgever onder druk door te dreigen zijn klandizie op te zeggen, betaalde het zetsel en liet het vernietigen.
Een ongelijke vriendschap
Willem Kloos en Albert Verwey leerden elkaar kennen in 1881, Willem was 22, Albert pas 16. Het waren Amsterdamse jongens van bescheiden komaf, bezeten van literatuur, en beiden hadden ze al jong hun moeder verloren. Kloos studeerde enige tijd klassieke talen, en had naam gemaakt met literaire publicaties. Hij was enige tijd innig bevriend geweest met de jonge Jacques Perk, die in dat jaar overleed. Verwey was nog scholier.
Vanaf het begin was hun verhouding ongelijk. Kloos was getekend door zijn eerdere relatie met Jacques Perk, die hem na verloop van tijd op afstand had gehouden en kort daarna was gestorven. Nu speelde hij twee tegengestelde rollen in het leven van Albert Verwey. Hij was zijn leidsman, maar tegelijk steunde hij op zijn leerling. Verwey hield de vaak wanhopige alcoholist Kloos overeind met aandacht en genegenheid. Hij wist dat een afwijzing — zoals Perk eerder had gedaan — voor Kloos rampzalig kon uitpakken. Dus bleef trouw, bleef bewonderen.
Maar de relatie kon niet blijven zoals Kloos die wilde, Albert kreeg verkering met Kitty van Vloten, een meisje boven zijn ‘stand’, dat hem in haar armen sloot. Het stel hield dat een tijd geheim voor Willem Kloos, maar op een gegeven moment kon dat natuurlijk niet meer duren, ze hadden trouwplannen. Kloos stort volledig in en wordt in Bussum opgevangen door Frederik van Eeden. Daar schrijft hij tien van zijn beste gedichten die hij publiceert onder de titel ‘Van Kind en God’. De gedichten worden goed ontvangen, al konden weinigen precies duiden wat er aan de hand is. Karel Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel) reageert zoals vermoedelijk veel lezers:
Wat de gedichten van Kloos aangaat, ik heb zoo zeer geen verstand van poëzie, maar, naar den indruk, dien ik als leek er van krijg, zijn die gedichten zeer mooi. Zij zijn mij alleen wat men vulgair-weg ‘een beetje te onduidelijk’ zou kunnen noemen. Zoo spreekt hij van iemant, die hem bedrogen heeft na van liefde tegen hem gesproken te hebben, en die ‘valsch’ was. Nu zoû men denken, dat hij daarmeê een vrouw bedoelt. Maar te gelijk spreekt hij in termen over die iemant, die weêr niet op een vrouw toepasselijk schijnen te zijn.
Van Deyssel zit op het goede spoor. De gedichten gaan over een ‘Ik’ die zichzelf niet al te bescheiden als een vader, nee, als een God ziet voor een ‘U’, een ondankbaar kind. In ongewoon verheven taal verklaart de dichter: ‘Wij waren Eén Mysterie...’
Het wordt ook fysiek:
Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat mij nog éénmaal aan dien boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.
Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tusschen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
...
Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef -
Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal...
Het Kind
In 'Hemel- en Aard-droom', het gedicht dat Kloos liet vernietigen, beschrijft Albert deze complexe vriendschap. In het Hemel-deel klinkt Verweys dankbaarheid, en een kennelijke acceptatie van de goddelijke status die Kloos zich gewoonlijk aanmat: “Hij was mijn heiland.”
We lezen ook de woede van Kloos: “blokken lood van toorn”, “huilen begon, lang, als woest woudbeest huilt / Om dood rood jong’…”.
En dan volgt de troost, de regels die Kloos niet kon verdragen:
In de’arm hem, om zijn hals mijn armen sloeg’k,
Néér woog ’k ’t zwaar hoofd en in zijn roden mond
Zonken mijn lippe’ een star in purpren nacht.
O ’k had hem lief.”
Die regels brachten Kloos ertoe het gedicht te censureren, het kwam na 90 jaar weer boven water. Wat is het verschil tussen de kussen waar Kloos over schreef en de kussen waar Albert over schreef? Helemaal niets, het was hetzelfde innig zoenen van een frisse jongen en een diepzinnige man. Voor de lezers was er een groot verschil. Toen Kloos publiceerde, konden slechts weinigen raden over wie het ging. Het kon best een vrouw zijn, of misschien was het wel ‘De Kunst’? Het gedicht van Albert liet geen misverstand bestaan over wie het ging: over hemzelf en een ‘heiland’ die iedere lezer wel kende: Willem.
De God
Nu is het misschien anders, maar in mijn schooltijd (en die van mijn ouders en grootouders) kreeg iedere middelbare scholier dit gedicht te lezen:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -
En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
En tóch, zoo eind'loos smacht ik soms om rond
Úw overdierbre leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.
Misschien herinneren jullie je nog hoe dat werd uitgelegd? Kloos verheft zichzelf tot God, dat was al schokkend genoeg (hij dat dat voortdurend). En wie was dan die U? Och, misschien een vriendin, maar nee, natuurlijk niet, het is een gedicht! De schoolboeken geven verheven suggesties: De Muse, De Kunst, De Schoonheid, De Poëzie.
Lariekoek!
Wie de tekst naast Hemel- en Aard-droom legt, ziet, direct over wie dit gedicht gaat. Over Albert, de jongen die de wankele God overeind hield met kussen.
(Ha! Het waren homo's? Nou... Albert en Verwey hadden gewoon vriendinnen. Ze zweefden met de sonnetten van Shakespeare ergens hoog in de poëtische hemelen; daar leken andere liefdes te bestaan dan in de parallelle wereld van het aardse Amsterdam.)
Dat de jonge Willem de betere dichter was, lijkt me moeilijk te betwisten, dat Albert een gelukkiger mens werd en uiteindelijk meer voor de literatuur heeft betekend, ook. Willem werd een traag man op een Haagse etage die de wereld nog geregeld liet weten dat hij God was, maar gelezen werd hij niet veel. Albert speelde nog decennia een grote rol in literair Nederland.
Hendrik de Vries, Capricho’s en Rijmcritieken.
De rij hedendaagse dichtbundels in mijn kast die hun status ontlenen aan associatieve mist en vormloos denken groeit gestaag. Daarom zoek ik lafenis in een vergeeld schriftje uit 1946, Bayard Reeks, papier was schaars en slecht: Hendrik de Vries, Capricho’s en Rijmcritieken.
De oorlog is net voorbij. Gruwelen worden gefluisterd. Kunstenaars beginnen opnieuw, zoeken het nulpunt, grijpen naar kindertekeningen en straattaal. Ondertussen publiceert een ambtenaar uit Groningen een bundeltje met soepel ritme en vanzelfsprekend rijm: Capricho’s.
Capricho betekent in het Spaans: een irrationele, spontane, grillige beweging van de geest of, aantrekkelijker nog, een kleine verwennerij. In de literatuur: een kort, fantasierijk stuk waarin sprookje, satire en droom door elkaar lopen en de logica van de verbeelding de dienst uitmaakt. Een perfecte naam voor De Vries.
In 1799 publiceerde Francisco Goya zijn 80 beroemde etsen onder dezelfde titel. De thematiek is verwant: domheid, bijgeloof, gruwelen. Kunsthistorici benadrukken graag de verlichtingskritiek, maar het publiek hield van iets anders: je kon er heerlijk bij griezelen. Zoals men niet naar naakte goden kijkt om hun vroomheid, maar om hun bevrijdende naaktheid, zo keek men bij Goya niet om de Verlichting te vieren, maar om de monsters te zien.
Bij De Vries is het net zo. Hij verkondigt geen geloof, geen kritiek, geen moraal. Hij laat ons griezelen als een kind, en lachen als een volwassene. Geen symbolen, geen diepzinnige academische verklaringen: gewoon de verbeelding die haar werk doet.
Het negende gedicht is pure kerkhofhorror:
Daarboven danst, nog vaag en schromend,
Bij rakelklank als kachelpoken
Een groot geraamte in grafgewaad.
Een maagre hond is opgedoken
En slaat van ver de dodenmaat.
En dan eindigt het met een heerlijke paradox:
Gij ribbe en bonk, tot stof gebroken,
Gij schedeldak en ruggegraat,
Gij hersens, middenrif en knoken,
Lig stil. En gij, vervloekte spoken,
Gij weet toch dat gij niet bestaat.
Humor en griezelen: De Vries op zijn best.
Het tiende gedicht spiegelt die paradox. De moeder, bij De Vries vaak een gruwelijke figuur, wordt door de wijze vader vermoord, maar keert als geest terug. De burgers ontkennen wat de vader weet, natuurlijk:
Hij weet wel dat ze terug kan komen.
Anderen zeggen: het zijn maar dromen,
Het zijn maar schaduwen tegen ’t behang.
De mensen zijn dom. De mensen zijn bang.
De nieuwe bundels in mijn kast moeten zich nog bewijzen; misschien worden ze oud papier voordat ze vergeelden. Maar Hendrik de Vries blijft, zonder diepzinnige verklaringen, zonder symbolenjacht. Gewoon omdat het bij eerste lezing altijd al goed is, en bij de tiende lezing nog beter.
Hendrik Willem Heuvel, Oud-Achterhoeksch Boerenleven. Uitgeverrij Gherre - Terborg Elfde druk 2001. (Een eeuw ononderbroken te koop in de boekhandel!)
Welke schrijver is belangrijk voor mijn werk? De eerste aan wie ik denk is het hoofd van een lagere school. (ja, ik heb de meeste 'grote' schrijvers ook gelezen.)
In 1926, honderd jaar geleden, overleed de hoofdonderwijzer van Borculo. Een jaar na zijn dood verscheen dit boek, dat gelukkig al een eeuw te koop is. Er zijn boeken die sneller uit de schappen verdwijnen.
Ik las het met meer plezier dan menig literair werk. Het geeft een beeld van het boerenleven in de Achterhoek voordat de moderne tijd zich deed gelden. We zien, in geuren en kleuren, het leven op de boerderij, zoals Hendrik zich dat herinnerde, uit 1874. Hij was in dat jaar tien jaar oud. Prachtig om door de ogen van die jongen die armoedige en magnifieke wereld te zien. Er zijn nauwelijks bronnen die ons doen ervaren hoe het is om op te groeien in een boerendorp (Loarne) in de tijd dat al het werk met de hand werd gedaan. Geen elektriciteit, geen stromend water, geen riool. Dit is een helder en lief, te lief, beeld. En wat een genot om de taal van die gewone mensen te horen, het dialect zo mijlenver van de literatuur.
Ik moet bekennen: ik las dit boek driemaal achtereen. De veurkieker die weet wanneer de mensen sterven gaan en uiteindelijk in de verte zichzelf over een eenzame landweg ziet gaan; de kwartels, patrijzen en korhoenders die de jongen van tien vanuit zijn bed kon horen; de zwervers en ambachtslieden die komen slapen in het hooi… een voorbije wereld die even niet voorbij is.
Een historische sensatie komt zelden tot me vanuit een geschiedenisboek of roman, ook al is het een historische roman. Dit boek brengt me nabij de mensen die hier, waar ik woon, anderhalve eeuw geleden leefden. Die nabijheid is voor mij de meest overtuigende vorm van waarheid. Heuvel geeft die, bladzij na bladzij.
In 1926, honderd jaar geleden, overleed de hoofdonderwijzer van Borculo. Een jaar na zijn dood verscheen dit boek, dat gelukkig al een eeuw te koop is. Er zijn boeken die sneller uit de schappen verdwijnen.
Ik las het met meer plezier dan menig literair werk. Het geeft een beeld van het boerenleven in de Achterhoek voordat de moderne tijd zich deed gelden. We zien, in geuren en kleuren, het leven op de boerderij, zoals Hendrik zich dat herinnerde, uit 1874. Hij was in dat jaar tien jaar oud. Prachtig om door de ogen van die jongen die armoedige en magnifieke wereld te zien. Er zijn nauwelijks bronnen die ons doen ervaren hoe het is om op te groeien in een boerendorp (Loarne) in de tijd dat al het werk met de hand werd gedaan. Geen elektriciteit, geen stromend water, geen riool. Dit is een helder en lief, te lief, beeld. En wat een genot om de taal van die gewone mensen te horen, het dialect zo mijlenver van de literatuur.
Ik moet bekennen: ik las dit boek driemaal achtereen. De veurkieker die weet wanneer de mensen sterven gaan en uiteindelijk in de verte zichzelf over een eenzame landweg ziet gaan; de kwartels, patrijzen en korhoenders die de jongen van tien vanuit zijn bed kon horen; de zwervers en ambachtslieden die komen slapen in het hooi… een voorbije wereld die even niet voorbij is.
Een historische sensatie komt zelden tot me vanuit een geschiedenisboek of roman, ook al is het een historische roman. Dit boek brengt me nabij de mensen die hier, waar ik woon, anderhalve eeuw geleden leefden. Die nabijheid is voor mij de meest overtuigende vorm van waarheid. Heuvel geeft die, bladzij na bladzij.